Op de grens tussen Pakistan en Afghanistan

 

Arts in een vluchtelingenkamp

 

Door: Elske Hoornenborg

 

Soms moet ik even tegen mezelf zeggen dat ik in Pakistan ben, een land met nucleaire wapens, een land dat bijna een miljoen Afghaanse vluchtelingen opvangt. Ik ben vlak bij de grens met Afghanistan, een ontwricht land door twintig jaar oorlog en complete droogte in het zuidoosten sinds vier jaar. Als je met je dagelijkse werk bezig bent verdwijnt dat besef soms naar de achtergrond. De kernwapens die Pakistan bezit: het is hier geen gespreksonderwerp. Als ik mensen ernaar vraag zeggen ze dat het veilig is door de afschrikking die ervan uit gaat: de oude koude oorlog-redenatie dus. Nee, de droogte, de vluchtelingen, de extremistische partijen, dáárover gaan de gesprekken hier.

 

Artsen zonder Grenzen, een organisatie waarmee ik al lang wilde werken, heeft mij in deze uithoek gebracht. De combinatie van werken in plaatsen waar bijna niemand anders komt, waar hulp echt nodig is, en behalve puur medisch werk ook lobby en advocacy voor vluchtelingen en bevolkingsgroepen in nood, trekt me aan. Dat is de reden geweest voor mijn studentenactiviteiten in de NVMP, en nu is het wel heel bijzonder om eindelijk het veldwerk te doen. Hier gebeurt het lobbyen, de bescherming van de rechten van de vluchtelingen, datgene wat ik zo belangrijk vind. Het is een grote uitdaging en een groot plezier om te kunnen doen waar ik al zo lang naar heb uitgekeken. Ik hoop wat van mijn inspiratie te kunnen overdragen met dit artikel.

 

Baluchistan

De provincie Baluchistan in zuidwest Pakistan grenst aan Afghanistan. Het klimaat is extreem: 45 graden in de schaduw in de zomer, onder nul in de winter, woestijn door complete droogte sinds vier jaar. Stormen maken de lucht verzadigd met stof zodat het net Nederland lijkt op een grijze dag. Er zijn wegen, hoewel slecht onderhouden.

 

Vluchtelingen

Het kantoor van Artsen zonder Grenzen in Pakistan is in Quetta, een stad met een miljoen inwoners waarvan 600.000 Afghaanse vluchtelingen zijn, 150 kilometers van de Afghaanse grens. De vluchtelingenkampen waar Artsen zonder Grenzen projecten voor water en sanitatie, en Basic Health Units (BHU) leidt, zijn in Chaman en Spin Buldak, op de grens tussen Pakistan en Afghanistan en net over die grens. Er zijn vier officiële kampen in Pakistan, Artsen zonder Grenzen werkt in twee met elk ongeveer 18.000 vluchtelingen. Dan heeft Artsen zonder Genzen een BHU in een Waiting Area op de grens, met 25.000 vluchtelingen die door Pakistan toegang geweigerd worden. De autoriteiten worden erg zenuwachtig van zoveel vluchtelingen letterlijk op de grens. Ze zijn niet alleen bang dat door de vluchtelingen het smokkelen zal toenemen, maar ook dat de kampen een plaats zullen zijn waar extremisten zich kunnen hergroeperen.

 

In Afghanistan, net over de grens, zijn 5 kampen met in totaal 25.000 Internally Displaced People, en Artsen zonder Grenzen heeft een BHU in een van de kleinere kampen. Alles bij elkaar zijn er ongeveer zeventigduizend vluchtelingen voor wie wij de gezondheidszorg organiseren. Een deel komt uit het noorden van Afghanistan en is gevlucht voor bombardementen en onderdrukking op basis van etniciteit, en een deel bestaat uit nomaden (‘Kutchi’) die vanwege de droogte humanitaire hulp hebben gezocht. De meeste vluchtelingen zijn analfabeet, ze hebben weinig bezittingen en zijn afhankelijk van humanitaire hulp voor voedsel, gezondheidszorg en bescherming.

 

Het wilde Oosten

Chaman, Pakistan. Het laatste wilde Westen, of beter: het wilde Oosten. Er is geen enkele vorm van bestuur en de mannen met grote baarden en geweren zijn de baas. Bijna geen enkele auto heeft een nummerbord. Iedereen die hier werkt verdient geld door smokkelen (de smokkelaars worden heel toepasselijk business men genoemd in Chaman). Als we schoten horen zeggen we bemoedigend tegen elkaar: ‘vast een bruiloft!’, altijd een rustgevende, maar lang niet altijd juiste verklaring.

 

Het hart van de Taliban

Chaman, Quetta, Kandahar: het hart van de Taliban: hier is het allemaal begonnen. De Taliban verdienden een deel van hun geld voor de oorlog met belasting op het transport over de weg van Iran, via Herat, via Kanda-har en Chaman naar Quetta en verder. En aangezien die weg altijd te onveilig was geweest voor transport werd er veel getransporteerd toen dat eenmaal mogelijk was door Taliban bescherming. Stel je voor: dat is de weg die wij elke week rijden. In de kleine dorpen aan die weg zien we met de week, nu de verkiezingen dichterbij komen, meer zwarte en witte tulbanden, en de zwart-witte Taliban vlag, en mannen met zwart-witte stokken die eruit zagen alsof ze gebruikt worden om mee te slaan. In deze dorpen, de Tribal areas, is vermoedelijk veel Al Qaeda verborgen, misschien ook wel in onze kampen. De Amerikanen hebben (nog) geen mandaat om in Pakistan te zoeken maar voor hoe lang nog? Op 10 september was er een grote bijeenkomst van de pro- Taliban Pakistaanse partij, met spandoeken als: ‘wij doden hen die doden’.

 

Het landschap

Een eindeloze woestijn tussen Kandahar en Quetta. Een enkel stoffig vogeltje, stoffige kamelen die knabbelen aan de sporadische plukjes gras, en mensen die fladderen in hun salwar kameezes en sjaals, voor mannen en vrouwen om zich te beschermen tegen het stof, anders wordt het zwarte haar grijs van het stof. Mensen leven van de woestijn. Er wordt zand in vrachtwagens geschept en grint. Er worden stenen gemaakt met fabrieksovens die zwarte rook uitblazen. Op dagen-rijden-afstand wordt dood hout gehaald om als bandstof te dienen. De heuvels en bergen: van veraf prachtig van dichtbij, stoffig en gevaarlijk vanwege het verkeer en de smalle wegen. Een paar maanden geleden was er een ernstig ongeluk met twee auto's, waarbij een minibusje het ravijn in viel en er veel slachtoffers waren. De begraafplaatsen zie je van verre want op sommige graven staan vlaggen. Navraag leert dat alleen martelaren een vlag op hun graf hebben verdiend. Deze omgeving kent veel martelaren. Hoewel we zo onopvallend mogelijk aanwezig zijn weten mensen ons zeker te vinden mochten ze dat willen, en om onze veiligheid te evalueren praten we veel met mensen: met onze nationale staff, met officials, met UNHCR.

 

Gele woestijn

Rond 11 september vertrokken we voor de veiligheid naar Kandahar, en daar kreeg ik de mogelijkheid om de relocation site te bezoeken. De mensen van de waiting area Chaman, die letterlijk in niemandsland wonen, die Pakistan niet in mogen en niet terug willen naar Afghanistan vanwege de onveiligheid en de aanhoudende droogte, en de IDP’s in Afghanistan worden door UNHCR gestimuleerd om naar een gebied in de buurt van Kandahar te gaan. Klinkt wel okay, ze zouden de mogelijkheid krijgen om groente te verbouwen, en er zou genoeg water zijn. Helaas bevindt het zich midden in de woestijn, er is niet genoeg water, er is geen echte weg, je volgt het spoor en wel precies want een paar meter naast het spoor liggen de landmijnen. De naam van de site is Zhare Dasht, wat heel toepasselijk gele woestijn betekent.

 

Begrijpelijkerwijs zijn de vluchtelingen niet erg enthousiast. In de waiting area, op de grens, kunnen ze geld verdienen met smokkelen, sjouwen, etc, en die mogelijkheid is er zeker niet in de gele woestijn. Bovendien is er nu aardig wat politieke aandacht voor de waiting area, dus daar zitten ze goed, behalve dat UNHCR misschien de voedsel- en andere ondersteuning gaat stoppen... gezondheidszorg kunnen ze gelukkig niet stoppen omdat wij onafhankelijk van ze zijn. Geen familie zal echter blijven alleen voor de gezondheidszorg.

 

Elders

Terug van Kandahar waren de elders in Landi Karez, een van de officiële kampen in Pakistan, aan het staken en dat uitte zich door het verbieden van mensen om naar de BHU te gaan. De mensen zijn niet beter gewend dan dat de elder hun gaan en staan bepaalt: in alle dorpen zijn het de elders die recht spreken en die de beslissingen maken voor de mensen. Een sterke nationale regering is er nooit geweest in dat uitgestrekte Afghanistan met onherbergzame delen en een lage bevolkingsdichtheid. Om de kleine dorpjes heen staan muren gemaakt van modder, en de meeste vrouwen komen nooit buiten die muren, hebben geen flauw benul van het bestaan van een wereld buiten de muren. Na veel onderhandelen met de elders, waarbij het probleem niet duidelijk is geworden (dokters zouden de vrouwelijk patiënten onheus bejegenen maar concreter werd het niet), mocht de BHU drie dagen later weer open. De elders zijn geen lekkere figuren, veel geschreeuw en gedreig, naar Artsen zonder Grenzen maar ook onder elkaar, dus de onderhandelings sessies van 2 à 3 uur waren geen pretje voor onze projectcoördinator.

 

Dus geen stimulerende natuur, weinig tijd en energie voor sociale activiteiten buiten Artsen zonder Grenzen, moeilijke nationale staf waar ik het nog niet eens over heb gehad, hmmm... soms vraag ik me af wat ik hier eigenlijk doe... De goede lezer leest tussen de regels van frustratie, eenzaamheid en zelfs opkomend cynisme echter ook een fascinatie en een schat aan nieuwe ervaringen en inspiratie.