‘De enige echte reden van oorlog is vrede’ (Dovstojevski)

 

Oorlogsvoering:

de evolutionaire aspecten

 

 

Door: Dr. Johan M.G.  van der Dennen

 

Enige inleidendebeschouwingen

De meeste antropologen erkennen geen (biologisch-)evolutionaire achtergrond voor het voeren van oorlog, in navolging van Margaret Mead's beroemde stelling: ‘oorlog is alleen maar een puur culturele uitvinding’ (bijvoorbeeld Harris, Ferguson, Keeley). De meeste wetenschappers die de oorlog bestuderen vinden een evolutionaire benadering noch bruikbaar, noch relevant - alhoewel bijvoorbeeld de cultureel-materialistische theorie van Harris heel goed aansluit bij het evolutionaire paradigma (Sanderson, 2001: 145).

 

Een groot aantal antropologen en historici associëren het ontstaan van oorlog met het midden van de steentijd. Ferguson is onder hen wel de meest uitgesproken aanhanger van deze ‘culturele-inventie’-theorie: ‘Geconcludeerd kan worden dat het ongeveer 8000 jaar geleden was dat oorlog in Mesopotamië voor het eerst een sociaal instituut werd. Sindsdien heeft het zich verspreid, of is het elders heruitgevonden. Dit rijmt eenvoudigweg niet met het idee dat oorlog al gedurende de gehele menswordingsgeschiedenis heeft plaatsgevonden’ (Ferguson, 1998: 15).

 

Natuurlijke selectie

In de meest algemene zin van het woord kan men zeggen dat het ‘rationele’ doel achter oorlogsvoering, genocide en ander groepsgeweld, samengevat kan worden als het zich ontdoen van concurrentie in de eeuwige strijd om schaarse hulpbronnen, of het uitschakelen van de waargenomen bronnen van terreur en angst. ‘Oorlog is duidelijk een manier om zich hulpbronnen en benodigdheden toe te eigenen en een manier om mogelijke gevaren voor de eigen bevolking te verwijderen’ (Corning 1975: 373). De natuurlijke selectie draait in principe niet om vernietiging, maar om voortplanting. Gewelddadige conflicten zoals oorlogsvoering zijn evolutionair alleen te begrijpen als die bijdragen aan het voortplantingssucces (Meyer, Low, van der Dennen).

 

Een groot aantal disciplines hebben de oorlog traditioneel bestudeerd bij huidige zowel als ‘primitieve’ (voorstatelijke, pre-industriële) samenlevingen, dat wil zeggen bij de volken van voor de uitvinding van het schrift (jagers-verzamelaars, en de eerste landbouwvolken), maar zijn er altijd impliciet van uitgegaan dat:

a) oorlog uniek is voor de menselijke soort;

b) oorlog een culturele uitvinding was, en dat

c) het verschijnsel of instituut oorlog zich sindsdien over de wereld verspreid heeft - of dat het her en der opnieuw is uitgevonden (bijvoorbeeld Cioffi-Revilla).

 

Fylogenese

De ontdekking van collectief geweld en dodelijke overvallen (lethal male raiding) bij vrijlevende mannelijke chimpansees, en op een veldslag lijkend geweld tussen groepen (combat) bij sociaal levende carnivoren en een groot aantal primaten maken de conventionele kijk op het oorlogsvoeren als een strikt menselijke ‘culturele uitvinding’ van een aantal duizenden jaren oud steeds minder houdbaar. In plaats daarvan is het gezichtspunt van de fylogenetische continuïteit, als eerste geponeerd door Darwin, Bigelow en o.a. Corning, en daarna uitgewerkt door vele anderen (Meyer, Low, Slurink, van Hooff, van der Dennen, Gat), steeds meer de moeite waard om te onderzoeken. Fylogenese kijkt naar de ultimate dimensie van causaliteit, naar de evolutionaire ontstaansgeschiedenis of de lange-termijn oorzaken van iets: Waarom is oorlogsvoering of het niet-menselijke equivalent ervan in de eerste plaats geëvolueerd? En waarom heeft het zich maar bij zo weinig soorten ontwikkeld?

 

Een onderscheid dient te worden gemaakt met proximate (ontogenetische of onmiddellijke) oorzaken, zoals: wat zijn de motivaties en omstandigheden die tot deze ene oorlog geleid hebben? Waarom vechten krijgers en soldaten in een oorlog? Ultimate en proximate oorzaken dienen als complementair te worden opgevat, dat wil zeggen ze vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar uitsluiten.

 

Uiteindelijk zijn alle organismen het product van de vroegere strategieën van hun genen. En de mens is, al vindt hij zichzelf nog zo superieur, hierop geen uitzondering. Het evolutionaire (of Darwinistische) paradigma gaat ervan uit dat alle organismen, inclusief de mens, geëvolueerd zijn; dat alle levende organismen afstammen van succesvol parende en zich voortplantende voorgaande organismen in vroegere milieus; en dat deze uiteindelijk, in een ononderbroken keten, afstammen van de eerste simpele celdelende protozoa, en daarom fylogenetisch aan elkaar verwant.

 

Darwinistische (bio-)evolutie: natuurlijke selectie, seksuele selectie en verwantenselectie (kin selection).

 

Georganiseerde strijd of competitie

In het algemeen zijn er twee typen van oorlogsvoering (losweg gedefinieerd als georganiseerde strijd of competitie tussen groepen of gemeenschappen) te onderscheiden: De stiekeme overval (lethal male raiding: een dodelijke hinderlaag door een groep mannen - vroeger bestond in het Nederlands de term ‘raaktocht’ voor een koppensnellersexpeditie),

en de reguliere (soms geritualiseerde) veldslag of strijd (combat, battle: een confrontatie tussen twee slagordes - falanxen - of linies). Een confrontatie tussen twee partijen kan zelfs gearrangeerd zijn; in dat geval spreken we van een pitched battle. Ik zal in het vervolg de termen ‘overval’ en ‘strijd’ gebruiken om het onderscheid aan te geven. In contemporaine

oorlogsvoering kennen we dit onderscheid als ‘gewone oorlog’ versus guerrilla (letterlijk: kleine oorlog). In primitieve samenlevingen is de overval de meest bloedige vorm van oorlogsvoering - door een relatief klein, maar snel oplopend slachtoffertal - die in sommige gevallen haast op een massaslachting lijkt (bijv. Davie, Divale, Cheney, Bigelow, Manson & Wrangham, Van der Dennen, Keeley, Low, Gat, Wrangham, Wrangham & Peterson, Otterbein).

 

Dodelijke overvallen door een groep mannen zijn verklaard met Wrangham’s machts-onbalans-hypothese (imbalance of power), en door Low's en Van der Dennen’s seksuele

selectie benadering (ik kom hier nog op terug). Wrangham heeft zelfs de mogelijkheid geopperd dat de gezamenlijke voorouder (last common ancestor) van de mens en de chimpansee dit gedrag reeds in zijn gedragsrepertoire had, zo’n 4 tot 6 miljoen jaar geleden.

 

De strijd-oorlogsvoering komt voor bij vele primaten (zo’n 40 tot 50 soorten tot nu toe gedocumenteerd) en enkele andere in groepen levende, territoriale zoogdieren (bijv. de zogeheten sociale carnivoren zoals wolven en hyena’s). Strijd ontstaat voornamelijk door toevallige ontmoetingen tussen groepen bij primaten; door mislukte overvallen of falende verrassingsaanvallen bij ‘primitieve’ mensen; en bij vroegere oorlogsvoering als legers te velde te groot zijn om ongezien te opereren. Turney-High heeft de ‘biomechanica’ van de linie geanalyseerd, de formatie waarin twee groepen mensen of primaten gaan staan als ze elkaar voor een strijd treffen. Ieder afzonderlijk organisme posteert zich zodanig dat z’n kwetspare flanken beschermd worden door zijn naaste buren; dit levert vanzelf een lineaire slagorde op.

 

Rituele strijd

Bij matriarchale primaten en bij sociale carnivoren overstijgt de vrouwelijke deelname in de strijd die van de mannen. Deze veldslagen zijn dan ook vaak meer lawaaiig dan bloedig. Op een wedstrijdgelijkende, rituele strijd treft men voornamelijk aan bij ‘ontwikkelde’ horticulturele stammengemeenschappen met een behoorlijk hoge bevolkingsdichtheid (bijv. in Nieuw-Guinea/Irian Jaya en Amazonië); en is waarschijnlijk bedoeld om de (numerieke) kracht van de tegenstander af te tasten, terwijl er een zekere ruimte wordt opengelaten om door onderhandelen tot een staakt-het-vuren of een permanente vrede te komen. (Er bestaat, mijns inziens, nog geen bevredigende theorie van geritualiseerde strijd). Maar deze rituele strijd kan makkelijk uit de hand lopen als één partij duidelijk sterker is dan de andere; dan kan de confrontatie uitlopen op een chaotische en paniekerige vlucht waarbij veel slachtoffers vallen (Divale, Durham, Otterbein, Van der Dennen). Een aantal Australische stammen doet aan zogenaamde boetegevechten (expiatory combat), vergelijkbaar met een middeleeuws duel, om hun geschillen te beslechten.

Het vraagstuk of oorlog al vóór de mens bestond wordt door Van der Dennen bevestigend beantwoord, ondersteund door, en gebaseerd op:

a) het fylogenetische vergelijkingsargument (Bigelow, Low, Van der Dennen): evolutionaire continuïteit in de vergelijking van mensen en niet-mensen (in tegenstelling tot de assumptie dat de mens uniek is en oorlog een eenmalige culturele uitvinding);

b) het mannelijke-coalitie argument: vanaf het moment dat een soort het vermogen heeft geëvolueerd om met meer dan met één soortgenoot samen te werken (polyadische coalitie), vormt dit een prima instrument om gewelddadige intergroep strijd in het eigen voordeel te beslissen (‘zelfzuchtige coöperatie’ zoals Corning het noemt). Deze gecoördineerde mannelijke samenwerking bij conflicten is volgens Bigelow waarschijnlijk zelfs de belangrijkste ontwikkeling geweest in de menselijke evolutie en de sleutel tot het overleven van de menselijke soort.

 

Tot nu toe hebben in ieder geval twee ‘breinige’ en intelligente soorten deze samenwerking bereikt: de mens (Homo sapiens sapiens) en de chimpansee (Pan troglodytes). Dolfijnen (Tursiops truncatus), die supercoalities kunnen vormen om vrouwen te monopoliseren, zijn een serieuze derde kandidaat.

 

Bovendien is niet moeilijk in te zien dat enige etnocentrische xenofobie en vijandigheid tegen groepen van de eigen soort in een potentieel gevaarlijke en vijandige omgeving door de natuurlijke selectie zal worden bevorderd (bijv. Bigelow, van der Berghe, Reynolds, Falger & Vine, Van der Dennen, Shaw & Wong, Hamilton, Irwin, Wilson). Dit proces wordt nog geïntensiveerd door de scherpe daling in genetische verwantschappen aan de grenzen van verschillende groepen (Hamilton). Er is door vele wetenschappers gedocumenteerd dat competitie tussen groepen een zeer sterke en meedogenloze selectieve kracht bezit, zonder dat dit noodzakelijkerwijze met veel geweld of slachtoffers gepaard behoeft te gaan (bijv. Bigelow, Wilson). ‘Volgens de huidige theorie zou er om de zoveel generaties volkerenmoord of volkeren-absorptie in het voordeel van de agressor plaats moeten vinden om de evolutie te sturen; dit mechanisme alleen kan altruïstische genen binnen de groepen tot een hoge frequentie opstuwen’ (Wilson, 1975: 573).

 

Samenwerkingsstrategie

De vraag waarom uitsluitend mannen de strijders zijn in overvaloorlogsvoering (lethal male raiding) is onderzocht door o.a. Symons, Trivers, Dow, Tooby & Cosmides, Low, Van der Dennen, Wrangham en Ghiglieri. Hun resultaten zijn opvallend eensluidend: overvaloorlogsvoering heeft zich ontwikkeld als een hoog-risico/-hoge-opbrengst mannelijke reproductieve samenwerkingsstrategie (of zelfs een ouderschapsinvesteringsstrategie).

 

Om deze, voor sommigen moeilijk te begrijpen, redenering toch begrijpelijk te maken zijn de volgende observaties van belang: succesvolle voortplanting (oftewel reproductief succes) is het enige wat van belang is in de evolutie - het enige criterium. Zowel man als vrouw hebben verschillende strategieën en tactieken ontwikkeld om zich succesvol voort te planten, omdat wat voor de ene sekse een succesvolle manier is, voor het andere geslacht een enkele reis naar de genetische vergetelheid kan betekenen (Symons). Voor mannelijke organismen zijn vrouwelijke organismen in het algemeen een schaars goed (limiting resource): bij mensenmannen zijn vrouwen het altijd schaarse en strategische goed dat de andere door mannen beheerste hulpbronnen in nageslacht kan converteren (Borgia, Melotti, Symons). Volgens deze redenering is ook bij chimpansees (een soort met mannelijke filopatrie en mannelijke machtspolitieke coalities) de dodelijke overval door mannen een geschikt middel om meer toegang tot reproductief waardevolle vrouwen te verkrijgen, óf door het inlijven van de vrouwen van de naburige groep, óf door het veroveren van het territorium van de naburige groep en het aantal van de daar aanwezige mannetjes te reduceren, óf allebei.

 

Machtsonbalans hypothese

Wrangham (1999) presenteerde zijn adaptieve hypothese om te verklaren waarom lethal male raiding beperkt is tot chimpansees en mensachtigen. Dit is de zogenaamde machtsonbalans hypothese, welke er van uitgaat dat groepsgeweld een uiting is van de drift om als groep dominant te zijn ten opzichte van de buren. Twee voorwaarden zijn, volgens deze groepsdominantietheorie, noodzakelijk zowel als voldoende om in groepsverband je buren te doden:

1) chronische vijandschap tussen groepen;

2) een zodanige onbalans van de macht dat de ene groep de ander ongestraft af kan slachten.

 

Onder deze omstandigheden zal de natuurlijke selectie bevorderen dat rivaliserende groepen elkaar opjagen en uitmoorden - als de eigen kosten daarvoor - door de machtsongelijkheid - maar laag genoeg zijn. Gegeven de evidentie bij de chimpansees stellen Manson & Wrangham dat een situatie van onbalans van de macht ook bij de vroegere mensachtigen (hominiden) dit dodelijk mannelijk geweld bevorderde - en waarschijnlijk al voordat er wapens waren. De gezamenlijke voorouder van chimpanzeeachtigen en mensachtigen zou al lethal male raiding in het gedragsrepertoire hebben gehad - zo’n zes miljoen jaar geleden. Deze strategie vormt een patroon bij de mens, de chimpansee en, wellicht, de bonobo (Pan paniscus): de zogeheten huchiboclade .

 

‘Verschillend van de orang-oetan en de gorilla praktiseren mannetjes van de huchibos mannelijke filopatrie, leven ze in gesloten sociale groepen met veel vrouwtjes, zijn ze polygaam, fourageren ze in bekend gebied, en beschermen ze gezamenlijk hun territorium. En als een naburige groep verzwakt proberen mannetjes van sommige groepen gezamenlijk de andere mannetjes na te jagen en te doden, zoals ook mensenmannen dat doen’ (Ghilieri, 1987: 346). Vooral de combinatie van mannelijke strategische samenwerking en coalities, mannelijke filopatrie, ‘proto-etnocentrisme’ en de gezamenlijke territoriumverdediging wordt beschouwd als een voorwaarde om tot groepsgeweld te komen (Goodall, Ghiglieri, Alexander, Manson & Whrangham, Slurink, Van der Dennen, Wrangham & Peterson, Wrangham). Wrangham & Peterson merken op dat de onderliggende psychologie van mannelijke coalities (psychology of male bonding) in overvallende chimpanseegroepen, gettobendes, prehistorische stammenstrijders en vergelijkbare ‘legers’ in wezen dezelfde is (zoals ook al eerder door Tiger & Fox opgemerkt).

 

Risk Contract theorie

Tooby & Cosmides hebben in hun Risk Contract theorie van de oorlog enkele significante implicaties opgesomd:

1) mannen hebben, in tegenstelling tot vrouwen, specifieke psychologische mechanismen (Darwinian algorithms) ontwikkeld voor coöperatieve en coalitionaire oorlogsvoering; en

2) seksuele toegang tot (meer) vruchtbare vrouwen is de voornaamste beloning - en motief - voor mannen om tot zulke coalities toe te treden.

 

Low zegt het zo: ‘Door de evolutionaire geschiedenis heen hebben mannetjes hun voortplantingssucces verhoogd door het voeren van oorlog, dit is voor vrouwtjes vrijwel nooit mogelijk geweest’ (Low, 1993: 19). Dit gedrag contrasteert, zoals we hebben gezien, met het gedrag van andere primaten en sociale carnivoren, waarbij de vrouwtjes het meeste belang hebben en de grootste rol spelen in het verdedigen van hun territorium en het beschermen van hun nageslacht.

 

De onderliggende redenen voor een groep om als groep te concurreren met andere groepen zijn toegelicht door Pitt, McEachron & Baer, en Baer & McEachron. Er zijn slechts enkele scenario’s mogelijk bij de competitie/strijd tussen groepen soortgenoten:

a) vreedzame coëxistentie en/of fusie van groepen;

b) vreedzame competitie tussen de groepen waarbij de verliezers lijdzaam verhongeren;

c) conflicten uitgevochten tussen de individuen van de concurrerende groepen;

d) competitie van het scramble (grabbelton) type;

e) vijandelijk conflict tussen groepen gezamenlijk en geconcerteerd opererend als groepen, ofwel oorlog.

 

Oorlogsvoering is de optimale keuze voor een groep die het succesvol aanpakt - als we er van uitgaan dat het tot de biologische mogelijkheden behoort. Als een conflict onvermijdelijk is, is het evolutionair gezien een betere keuze om als groep te opereren en  te proberen de andere groep te beroven van zijn bezittingen, dan om zowel het conflict in stand te houden als een verlies van inclusive fitness te accepteren, dat bij een fusie onvermijdelijk zou zijn, en daardoor zelf ook te verzwakken. Als we ervan uitgaan dat verschillende groepen verschillende van bovenstaande strategieën toepasten dan kunnen we er zeker van zijn dat de groep die het meest bereid was tot oorlog de meeste kans maakte een andere groep te overheersen. Daarom zullen het de genen van deze oorlogszuchtigen zijn die in volgende generaties voortleven. Het is zelfs zo dat de enige mogelijke competitieve strategie om een groep te bestrijden die oorlogsvoering toepast is oorlog zelf ook toe te passen, zowel offensief als defensief.

 

Evolutionaire tragedie

Richerson staat de ‘evolutionaire tragedie’-hypothese voor: oorlogsvoering is ‘gedoemd’ te evolueren, ook al wordt iedereen er slechter van. Het is, volgens hem, te wijten aan de perversie van de situatie (de logica van het veiligheidsdilemma), en niet zozeer aan de ‘slechtheid’ van degenen die oorlog voeren. Mensengroepen gingen daardoor steeds meer zelf in de aanval - de eerste klap bleek inderdaad een daalder waard, oftewel offensieve en preëmptieve oorlog loonde. In tegenstelling tot andere dieren waren ze in staat hun vijand te verrassen als deze op z'n kwetsbaarst was, en konden op een afstand toeslaan door stenen te werpen of projectielen te gooien (Pitt, Baer & McEachron, Bingham, Gat).

 

De grootste voordelen die samenwerking in de strijd oplevert voor het voortplantingssucces zijn derhalve in twee categorieën te verdelen:

1) de genetische effecten van vergrote Lebensraum (en verhoogde toegang tot noodzakelijke levensvoorwaarden);

2) de genetische effecten van polygynie (Bigelow, Hamilton, Wilson, Low, Van der Dennen). Bij vrijwel alle

‘primitieve’ volken is de kwaliteit van een man als succesvol krijger en/of jager direct gekoppeld aan het aantal huwelijkspartners dat hij kan krijgen of aan de seksuele toegang tot vruchtbare vrouwen of huwbare meisjes (bijv. Symons, Chagnon, Low, Hawkes, Van der Dennen).

 

Het onderzoek van Van der Dennen naar de evolutionaire oorsprong van intergroepsstrijd bij (vooral) primaten en sociale carnivoren heeft de volgende noodzakelijke factoren geïdentificeerd:

a) het vermogen tot polyadische, zelfzuchtige en opportunistische samenwerking en coalities, hetgeen alleen mogelijk is bij

b) sociale - groepsterritoriale - soorten, dit zijn over het algemeen lang levende zoogdieren;

c) strategische of opportunistische intelligentie (ook wel Machiavellian intelligence genoemd) moet aanwezig zijn;

d) en er moet een bepaalde groeps-identiteit zijn (‘proto-etnocentrisme’), waardoor men leden van de eigen groep kan onderscheiden van leden van andere groepen, en de eigen groepsleden kan laten profiteren van bescherming, nepotisme en het preferentieel delen van hulpbronnen.

 

Van der Dennen’s evolutionaire scenario (evolutionario) belicht ook de fylogenetische en sociaal-ecologische principes van groepsvorming, altruïsme en opofferingsgezindheid binnen de groep, vijandschap buiten de groep, en strijd tussen groepen (oorlogsvoering).

 

Sociaal-culturele evolutie: Niveaus van sociaal-politieke complexiteit

 

De basismotieven en basisvormen van oorlogsvoering waren al bekend bij de klassieke historici zoals Herodotus en Tacitus (Turney-High, Van der Dennen). Een van de eerste verslagen van primitieve oorlogsvoering en kannibalisme was van Hans Staden (een Duitse zeeman die schipbreuk leed en aanspoelde bij een Braziliaanse indianenstam) in zijn verhaal (1557) over zijn leven bij de Tupinamba Indianen (alhoewel er aan de authenticiteit van zijn verslag getwijfeld wordt).

 

In 1767 publiceerde Adam Ferguson An Essay on the History of Civil Society (een eerste poging tot een empirische vergelijking tussen culturen), waarin hij concludeerde: ‘We hebben reden om aan te nemen dat in elke barbaarse staat oorlog het grootste goed is; en dat in het barbaarse verleden, toen mensen nog in veel kleinere groepen leefden, er een continue strijd tussen hen gaande was’. En hij voegde eraan toe dat oorlogsvoering has been the great business of mankind since time immemorial. Deze conclusie sloot nauw aan bij Hobbes (1651) die een tamelijk sombere visie had over de door oorlog geteisterde conditie van primitieve samenlevingen (de oorzaken daarvan waren volgens hem: competition, diffidence, and glory).

Een geheel andere mening was Rousseau (1762) toegedaan. In zijn Contrat Social introduceert hij het be-grip van ‘de edele wilde’ die nooit oorlog aan zou gaan, omdat daar geen materiële redenen voor waren en er dus niets mee te winnen viel om dat wel te doen. Deze zogenoemde Hobbes-Rousseau controverse houdt de antropologische wetenschap tot vandaag de dag bezig.

 

Evolutie

Rond 1840 kwam het begrip evolutie in zwang in de culturele antropologie. Men had het echter alleen over sociaal-culturele evolutie, en niet over Darwin’s bio-evolutie door middel van natuurlijke selectie (die Darwin zelf graag als descent with modification bestempelde). (Zowel de sociaal-culturelen als de bio-evolutionairen gebruiken dezelfde termen als ‘evolutie’ en ‘aanpassing’, maar ze bedoelen helaas iets anders. Dit werkt verwarring in de hand).

 

De evolutieschool, de overheersende richting aan het einde van de 19de eeuw, koesterde een lineair en progressief vooruitgangsidee van de menselijke evolutie en geschiedenis: menselijke gemeenschappen avanceren van het simpele naar het complexe; het begint bij een primitieve stam, gaat verder in een barbaarse maatschappij, om vervolgens tot be-schaving over te gaan (Spencer, Morgan, Tylor). Steward en enige andere zagen in culturele evolutie niet een progressief-lineair maar een multilineair fenomeen.

 

Een eeuw later kwamen Sahlins (1961) en Service (1962) met een sociaal-cultureel schema dat vier niveaus behelsde: de kleine verwantengroep (band), de stam (tribe), de proto-staat (chiefdom), en de staat; met bijbehorende verschillen in de motieven en de uitvoering van oorlogsvoering (van wat Muehlmann en Meyer noemen endemische vetes en vergeldingsoorlogen tot oorlog als instrument voor plundering, expansie, verovering, onderdrukking of volkerenmoord).

 

Ook Fried en Hunter & Whitten beschrijven vier niveaus van sociopolitieke evolutie: de egalitaire gemeenschap, de rangorde maatschappij, de gestratificeerde (klassen)-maatschappij, en de maatschappij op staatsniveau (deze komen min of meer in ontwikkeling overeen met de hierboven genoemde niveaus). Deze volgorde veronderstelt een cultureel-evolutionaire ontwikkeling. De aard van de oorlogsvoering lijkt met het veranderen van deze niveaus op een systematische manier mee te veranderen. Zo ook onderscheidde Quincy Wright (1942) sociale, economische en politieke oorlogsvoering als te onderscheiden progressieve stappen in de sociaal-evolutionaire ontwikkeling.

 

Met deze niveaus van sociaal-politieke organisatie corresponderen de niveaus van militaire organisatie zoals onderscheiden door Feest:

a) oorlogsaanvoerders op basis van reputatie;

b) duaal leiderschap: een afzonderlijke aanvoerder in oorlogstijd en in

vredestijd;

c) erfelijk leiderschap in een voornamelijk op strijd gerichte gemeenschap;

d) een bijna gehele gemilitariseerde maatschappij, en als laatste;

e) staande legers (vgl. Andreski).

 

Carneiro merkt op dat de kleinschalige band- en stammengemeenschappen hooguit een paar tientallen strijders kunnen formeren, terwijl chiefdoms al snel honderden of duizenden krijgers/soldaten in kunnen zetten. Carneiro onderzocht oorlogsvoering tussen proto-staten in de Cauca-vallei in Colombia en in Fiji. Hij merkte op dat bij deze chiefdoms oorlogsvoering vrijwel constant was. Fiji was zelden zonder oorlog, en in de Cauca-vallei was oorlog alomtegenwoordig en oneindig. Er is sprake van een constante strijd om territorium en macht.

 

A fortiori geldt hetzelfde voor staten en rijken (imperia); het is onderhand een cliché dat staten oorlog maken en dat oorlog staten maakt. Het ontstaan van staten in de gecodificeerde geschiedenis bevat een opmerkelijk proces van parallelle evolutie, te beginnen in Mesopotamië ongeveer 5100 jaar geleden (Sanderson). ‘De overwinnaars zijn over het algemeen gul met hun genen. Ook namen ze vaak hun overwonnen mannelijke vijanden in slavernij of vermoordden hen. En ze eigenden zich hun vrouwen toe’ (Corning, 1975: 372).

 

Hobhouse, Wheeler & Ginsburg en Quincy Wright waren de eersten die ruwe statistische technieken toepasten op hun data-base van ongeveer 650 verschillende primitieve samenlevingen. Ook keken ze naar de economische ontwikkeling waarin die samenlevingen zich bevonden: bijvoorbeeld jagers, verzamelaars, vroege en latere landbouwers, vroege en latere veehouders. Wright concludeerde uit zijn statistisch onderzoek dat 95% van deze samenlevingen oorlog voerden (wat de menselijke universele oorlogszuchtigheid lijkt te bevestigen). Andere belangrijke conclusies waren dat ‘territoriaal gewin, het verkrijgen van slaven of economisch gewin niet karakteristiek zijn voor primitieve oorlogsvoering’. En dat ‘hoe primitiever het volk hoe minder oorlogszuchtig het lijkt te zijn’. Het ontbreken van economische motieven bij oorlogsvoering onder primitieve volken werd ook benadrukt door Turney-High. Hij vond het fenomeen van oorlogsvoering onder deze volken zo ‘kinderachtig’ omdat het zo totaal oneconomisch was. Slechts weinigen onder deze volken hadden, zoals hij het noemde, de ‘militaire horizon’ bereikt.

 

Een hele andere denkwijze werd geopperd door Steinmetz (die van der Bij’s redenering dat primitieve volken geen oorlog voerden omdat ze primitief waren omdraaide tot de stelling dat primitieve volken primitief waren, juist omdat ze geen oorlog voerden) en vooral Davie (1929) die bij primitieve volken bloeddorstige oorlogen constateerden om redenen als plundering, veediefstal, en het verkrijgen van meer territorium of vrouwen, maar ook om niet-economische redenen zoals wraak of de verplichtingen van de bloedvete. De contemporaine school van (eco)materialisten (Vayda, Harris, Ferguson) heeft het eveneens over groepsconflicten met een economische grondslag; oorlogsvoering is een middel om aan begeerde, hooggewaardeerde of strategische goederen te komen, zoals land en dierlijke proteïnen, beheersing van handelsroutes, etc.

 

De wortels van deze school ontsproten omstreeks 1940 toen antropologen de oorlogvoering van Zoeloes en Indianen in een economisch perspectief gingen plaatsen, in feite als bewuste en opzettelijke gevechten om schaarse materiële goederen. De oudste gedocumenteerde oorlogen in de menselijke geschiedenis waren ordinaire rooftochten. Wraak, vrouwen, territorium en schaarse materiële hulpbronnen (inclusief de nimmer eindigende zoektocht naar veiligheid) zijn de voornaamste proximate oorzaken of motieven van oorlog bij primitieve volkeren, op de voet gevolgd door motieven als status, prestige en eer, en ‘bovennatuurlijke’ of magicoreligieuze motieven zoals koppensnellen, trofeeënjacht, en mensenoffers (Davie, Turney-High, Chagnon, Divale, Otterbein, Ferguson, Van der Dennen, Keeley, Gat). Zoals Gat het, in een evolutionair perspectief, formuleert: ‘De alomvattende strijd om de onderling samenhangende zaken als schaarse hulpbronnen, status en prestige en voortplanting is de grond-oorzaak van oorlog bij mensen zoals ook bij andere diersoorten. Alle andere redenen van oorlogsvoering zijn hiervan afgeleid’.

 

In 1978 maakte Carol Ember een einde aan ‘de mythe van de vredelievende jager-verzamelaar’. Van der Dennen, Gat en Keeley hebben onlangs bevestigd dat primitieve en prehistorische oorlogsvoering een zeer dodelijke en bloedige bezigheid is, die zelfs uit kan monden in massacres en genocide: guerre à l'outrance. Wat letaliteit, sanguiniteit en destructiviteit betreft wint de primitieve oorlog het met vlag en wimpel van de moderne oorlog. Het uitsterven van groepen mensen door chronische oorlogsvoering van kleine dorpsgemeenschappen of stammen komt voor in Nieuw-Guinea, het Amazonegebied en andere gebieden waar bloedvetes en oorlog endemisch zijn.

 

Agent of Progress

Broch & Galtung (1966) hebben de data van Wright opnieuw geanalyseerd en kwamen tot de ondubbelzinnige conclusie dat: ‘Oorlogszuchtigheid samenhangt met beschaving’. Hoewel hun gegevensbestand meer synchroon dan diachroon loopt, suggereert het niettemin dat er een dynamisch proces is wat er voor zorgt dat ‘toenemende beschaving leidt tot toenemende oorlogsvoering’. Een vergelijkbare theorie (vooral sociaal-Darwinistisch) in deze is de visie dat strijd, oorlog en intergroeps-conflicten de belangrijkste factoren zijn geweest in de menselijke vooruitgang, en dat oorlog de prime mover is geweest in de menselijke culturele, morele en spirituele evolutie: oorlog is, in deze visie, bij uitstek Agent of Progress. Bij andere contemporaine scholen is de visie op oorlog als oorzaak van ontwikkeling te verdelen in degenen die oorlog zien als de belangrijkste oorzaak of prime mover (bijv. Carneiro), diegenen die oorlog zien als secundair en andere ontwikkelingen versterkend proces (bijv. Fried), of degenen die oorlog zien als een slechts één variabele in een hele set van samenhangende variabelen (bijv. Ferguson).

 

Sociale organisatie

De evolutie van de historische oorlogsvoering wordt wel beschreven als de transformatie van bewapende mannen in bemande wapens, waarbij de voortplantingsvoordelen steeds meer zijn ‘losgeraakt’ van oorlogszuchtig gedrag, zoals Low (1993: 45) suggereerde. Turney-High heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de evolutie van oorlogsvoering niet zozeer een kwestie is van verbeterd wapentuig, maar meer nog van sociale organisatie. ‘De militaire horizon hangt niet af van de effectiviteit van het wapentuig, maar van de effectiviteit van samenwerking, organisatie en bevelstructuur die voldoen aan bepaalde simpele (tactische) principes’ (Turney-High, 1949: 23). Daarom zijn legers in de loop der tijd steeds meer hiërarchisch georganiseerd en hebben ze steeds grotere veldslagen uitgevochten, hebben ze steeds grotere plundercampagnes uitgevoerd, het territorium steeds meer uitgebreid, en andere volken onderworpen of uitgeroeid en politieke macht veroverd: macht, suprematie en imperium.

 

Discipline en coördinatie tekent het onderscheid tussen de krijger en de soldaat. De krijgersmentaliteit verloor terrein in de westerse geschiedenis toen de oorlogsvoering veranderde van overvallen en hinderlagen naar het treffen tussen massale slagordes. ‘De eerste slagordes zijn misschien ontstaan door een kleine elitegroep van strijders, die hiermee succes behaalde. Maar de slagorde geeft een veranderde oorlogsgeest aan: de collectieve discipline wint het van het individuele vertoon, en zelfdiscipline (sophrosune) neemt het over van de krijgersrazernij (menos)’ (Vernant, 1990: 90). Oorlog is in toenemende mate verworden tot een suboptimale oplossing - qua kosten en opbrengsten - voor het oplossen van politieke problemen, maar zal in deze eeuw waarschijnlijk gevoerd blijven worden om schaarse goederen te verkrijgen zoals olie, schoon water, ‘veiligheid’ en ‘etnische onafhankelijkheid’ (afscheidingsoorlogen en etnopolitieke conflicten zullen in toenemende mate binnen staten plaatsvinden; de internationale oorlog maakt plaats voor de burgeroorlog, zonder duidelijke fronten, zonder duidelijk begin en eind, en zonder duidelijke combattanten: een guerrilla van iedereen tegen iedereen, zoals Hobbes die ooit voorzag).

Concluderend kan gezegd worden dat de productiemiddelen, de reproductiemiddelen en de destructiemiddelen de sociaal-culturele evolutie in grote lijnen gevormd hebben en zullen blijven vormen (Schmookler, Ehrenreich, Sanderson).