Hoe kan oorlog worden voorkomen?

 

Door Hans van der Dennen en Hans van Iterson

 

Na de Algemene Ledenvergadering op 25 mei vond om 13.30 uur het gezamenlijk door NVMP, AVV, EVV en VJV georganiseerde symposium ĎHoe kan oorlog worden voorkomen?í plaats, met prof. Mansoob Murshed en dr. J.M.G. (Hans) van der Dennen als sprekers.

 

De presentaties van dr. Murshed, verbonden aan het Institute for Social Studies (Den Haag) en dr. van der Dennen, verbonden aan het voormalige Polemologisch Instituut (Universiteit van Groningen), toonden zoín grote overlap dat ze hier als een geheel zullen worden besproken. De genoemde overlap is natuurlijk niet bijzonder verwonderlijk omdat beide sprekers dezelfde problematiek (de oorzaken van contemporaine oorlogen) onderzochten, waarbij dr. Murshed meer de economische, en dr. van der Dennen meer de politieke aspecten benadrukte.

 

In een min of meer traditionele opvatting wordt oorlog gezien als een gewapend conflict tussen (natie)staten, veelal irrationeel en veroorzaakt door misverstanden en miscommunicatie. Maar na 1945 vonden steeds meer gewapende conflicten plaats binnen de grenzen van een (natie)-staat: interne of burgeroorlog. Gold dit kort na 1945 nog voor 70%, anno 2002 wordt 99% van alle gewapende conflicten gevormd door burgeroorlogen, een vrijwel lineaire toename met gemiddeld 4 burgeroorlogen per jaar.

Als de belangen en motieven van de strijdende partijen (de belligerenten) in ogenschouw worden genomen dan kunnen ook oorlog en burgeroorlog als producten van rationele beslissingen worden beschouwd - zij het dan van een kortzichtige en zelfzuchtige rationaliteit. Het merendeel van al deze burgeroorlogen en interne gewapende conflicten - voornamelijk etnische afscheidingsconflicten en anti-regime guerrillaís - vond en vindt plaats in de lage-inkomstenlanden van de Derde Wereld - ook wel, optimistisch, ontwikkelingslanden genoemd - waar oorlog als integraal bestanddeel van falende staatsvorming, onvoldoende maatschappelijke integratie en mislukte modernisering kan worden beschouwd. Oorlog in de krotten van de Derde Wereld; vrede in de paleizen van de welvarende (en grotendeels democratische) landen van het kapitalistische Westen.

 

Economische ongelijkheid

Ongelijkheid in inkomen en ontplooiingsmogelijkheden (door b.v. discriminatie en/of onderdrukking) vormt gewoonlijk de basis van collectieve grieven die uiteindelijk in politiek geweld en burgeroorlog culmineren. We zien niet noodzakelijk geweld in landen met verticale ongelijkheid, maar wel in die landen waar door etnische of andere sociopolitieke groeperingen een grote mate van horizontale ongelijkheid wordt waargenomen en aan den lijve ondervonden (b.v. ongelijke toegang tot scholing, gezondheidszorg, werkgelegenheid, etc.). Voor het uitbreken van een burgeroorlog is bereidheid tot collectieve en georganiseerde actie van de onderdrukten nodig. De organisatie van het collectieve ongenoegen wordt gewoonlijk door professionele conflictondernemers of krijgsheren (of soms charismatische leiders) op zich genomen. Ongelijkheid in landbezit en/of inkomen in agrarische samenlevingen vormt een rijke voedingsbodem voor gewelddadige opstanden - de Chiapas rebellie in Mexico is daar een voorbeeld van. De grieven worden nog eens versterkt als er een etnische dimensie bijkomt. Ook het schaamteloos profiteren van sociopolitieke elites (dikwijls een bepaalde etnische groep) ten koste van de armen, onderdrukten en uitgebuiten in gefragmenteerde samenlevingen vormt een overvloedige bron van grieven en potentieel geweld.

 

In landen waar minerale of andersoortige hulpbronnen (point resources) relatief gemakkelijk gemonopoliseerd kunnen worden vormt pure hebzucht (van avontuurlijke krijgsheren of andere opportunistische geweldsspecialisten) - nog eens bovenop armoede en grieven - een bron van ellende. In Angola bijvoorbeeld hebben zowel olieboringen als diamantmijnen beide partijen in de burgeroorlog (de MPLA-regering en de UNITA- rebellen) de gelegenheid geboden tot een schier oneindig en onoplosbaar conflict (protracted warfare), terwijl de relatieve vrede in Mozambique het simpele gevolg zou kunnen zijn van het ontbreken van betwistbare en toe te eigenen minerale afzettingen. In andere gevallen beconcurreren krijgsheren elkaar om economisch surplus of het recht de burgerbevolking te exploiteren - zoals in gangster-oorlogen.

 

Conflict als gevolg van falende staatsvorming

Wat rogue states zijn voor de internationale onveiligheid, zijn failed states voor de nationale onveiligheid. Interetnisch conflict kan ook worden verklaard in termen van falende staatsvorming. Het falen van de staat om publieke goederen te verzorgen of veiligheid te garanderen dwingt burgers ertoe terug te vallen op hun meer betrouwbare etnische bindingen. Dit kan leiden tot conflicten tussen de verschillende etnische groepen om hulpbronnen en/of gewapende rebellie tegen de staat of staatsorganen. In Latijns Amerika bijvoorbeeld zijn revolutionaire groeperingen en drugsbaronnen dikwijls betere voorzieners van publieke diensten dan de staat zelf.

 

Enkele correlaten van burgeroorlogen

De relatie tussen democratie en de frequentie van burgeroorlogen is waarschijnlijk U-vormig. De waarschijnlijkheid van het vůůrkomen van burgeroorlog is het laagst zowel in geŽtableerde, goed functionerende democratieŽn als in perfecte autocratieŽn (dictaturen). In de tussenstadia van democratie en autocratie, en in democratiserende landen, is de kans op burgeroorlogen en anti-regime conflicten het grootst. Het democratiseringsproces is derhalve niet noodzakelijk een vredesbevorderende onderneming.

 

Een robuuste bevinding van het kwantitatieve onderzoek is dat democratieŽn na 1945 niet of nauwelijks elkaar beoorlogen. Over het hoe en waarom van deze zogenaamde Ďdemocratische vredeí wordt druk gespeculeerd - maar een simpele reden zou kunnen zijn dat democratieŽn voornamelijk in de welvarende westerse wereld voorkomen en weinig incentieven tot oorlog hebben. Anderzijds onderscheiden democratieŽn zich nauwelijks van autoritaire regimes als hun tegenstander geen democratie is - de body bag-hypothese (de afgenomen bereidheid van democratische landen om hun soldaten in een oorlog te laten sneuvelen) heeft dus duidelijke beperkingen.

 

De meerderheid van de interne gewapende conflicten werd zonder interventie van derde partijen uitgevochten. Als er interventies werden gepleegd dan was dat grotendeels ten gunste van de aangevallen partij (meestal de staat of de regering), en niet ten gunste van de aanvallende partij (meestal de separatisten, guerrilleroís, Ďterroristení, etc.). Dit zou verklaard kunnen worden uit het feit dat de interventiemachten zelf staten of regeringen zijn en geen belang hebben bij uitdagingen van de status quo. Als van alle interventies de balans wordt opgemaakt, dan kan gelden dat ze ůf militaire successen waren maar politieke mislukkingen, ůf militaire mislukkingen vanaf het begin.

 

De oorlogen sinds de Tweede Wereldoorlog duren ůf kort (minder dan zes maanden), ůf - veel frequenter - hebben de neiging zich over jaren en jaren uit te strekken. Een goed voorbeeld van een dergelijk protracted conflict is het IsraŽl-Palestina conflict dat voorlopig nog muurvast zit in wederzijdse vergelding. Nog slechts eenvijfde van alle gewapende conflicten wordt door de aanvallende partij gewonnen. Dit is in vroeger tijden - toen oorlog (rooftochten) nog wel eens economisch kon lonen - wel anders geweest. De voornaamste motieven voor gewapende conflicten tijdens de periode na de Tweede Wereldoorlog waren:

a. territoriale (grens)conflicten in het geval van internationale oorlogen, en b. machts- en autoriteitsconflicten in het geval van interne (burger)oorlogen.

 

Hier ging en gaat het om de politieke machtsverhoudingen binnen een staat of conflicten over de staatsvorm. Conflicten over autonomie, afscheiding, irredentisme (Heim ins Reich), etc. vertonen zowel territoriale als machtspolitieke aspecten. Een verrassende bevinding van JŁrgen Gantzel en Klaus Schwinghammer (Kriege seit dem zweiten Weltkrieg - Daten und Tendenzen. LIT Verlag, 1995) was dat de meeste oorlogen tussen 1945 en 1992 door mediatie (third-party mediation) werden beŽindigd.

 

Tenslotte: de toegenomen en nog steeds toenemende oorlogszuchtigheid in de wereld (en dan vooral de Derde Wereld) sedert 1945 kan voornamelijk worden begrepen als uitdrukking van een seculier inhaalproces van staatsvorming, economische modernisering, en maatschappelijke (etnische, religieuze, raciale, politieke) integratie waaraan geen enkel Derdewereldland zich kan onttrekken. Het fundamentele begeleidingsverschijnsel van de kapitalistische expansie of wereldverovering (of Ďglobalisatieí zoals het tegenwoordig eufemistisch wordt genoemd) is de onvermijdelijke en onontkoombare ontwrichting van traditionele, pre-industriŽle samenlevingen en de vernietiging van lokale markten. Dit proces weerspiegelt de oorlogszuchtige geschiedenis van wat nu de industriŽle, kapitalistische, technologische en gepacificeerde (westerse) staten zijn, maar nu nog een graadje bloediger en gruwelijker.

Zoals Dostojewski ooit schreef: ďDe enige oorzaak van oorlog is vredeĒ - hetgeen zoveel betekent als: de ultieme oorzaak van alle politieke geweld en oorlog is een - althans voor sommige mensen - onacceptabele status quo.

 

In de discussie met de zaal werd vervolgens ingegaan op de rol die de wapenhandel speelt in het continueren van een conflict en de mogelijkheid van een WO III. Voor wat betreft dit laatste ziet Murshed de kans daarop danig verkleind. Westerse democratieŽn kunnen zich eenvoudig geen oorlog veroorloven. Enerzijds zijn de kosten/schade van een hightech war te hoog, anderzijds zijn de economieen zo onderling verweven en afhankelijk van elkaar dat grote tegenstellingen en geschilpunten uitblijven. Vroeger was oorlog de motor achter een economie, tegenwoordig levert het alleen maar schade op en gaat ten koste van economische groei.

Herman Spanjaard waarschuwt wel voor de belangrijke verandering van de rol van kernwapens. In plaats van afschrikkingwapens dringt de VS steeds meer aan op kernwapens als aanvalswapen. Een dergelijke gedaanteverandering kan de wereld ook bij een Ďlokaalí conflict aan de rand van de afgrond brengen.

 

Piet Terhal, tenslotte,stelt de vraag die in de titel van de bijeenkomst terugkomt: wat kunnen wij als vredesorganisaties bijdragen aan de preventie van oorlog?

Murshed: blijf misstanden aan de kaak stellen en strijdende partijen ter verantwoording roepen. Probeer de eigen regering, zo mogelijk in Europees verband een standpunt te laten innemen tegen het conflict en in ieder geval te zorgen dat men zich niet in het conflict mengt, hetgeen door bijvoorbeeld wapenleveranties vaak vrij direct gebeurd. Men moet toch inzien dat men geen geld hoeft te steken in ontwikkelingsprojecten als de resultaten daarvan door een oorlog weer worden afgebroken.

 

We konden de dag afsluiten zoals hij was begonnen: er is nog veel te doen.