Agressief-intolerant nationalisme

 

Oorlogen, megadoden en massamoorden in de 20e eeuw

 

 

Prof. dr H.B.M. de Lange werkte tot aan zijn dood in 1998 aan een boek over agressief-intolerant nationalisme. Het onderstaande is een samenvatting van een samenvatting en bewerking door Van Der Dennen van een deel van dit typoscript over nationalisme en democide als een van de mogelijke verklaringen van de buitensporig hoge aantallen slachtoffers van vernietiging tijdens oorlogen en politiek geweld in de 20e eeuw.

 

Oorlog wordt wel gezien als de ultima ratio van de politiek. Het geweld van de overheden tegen hun eigen bevolkingen neemt in de twintigste eeuw excessieve vormen aan. Er is sprake van een paradox tussen technische vooruitgang enerzijds, en grootschalig politiek geweld anderzijds. Enerzijds grotere beheersing van de buitenmenselijke natuur, anderzijds niet van de menselijke natuur zelf. Immanuel Kant schreef in 1784: “mensen zijn van krom hout gemaakt”. Waarom wordt er een overmaat aan destructiemiddelen ingezet, en waarom in een zo grote frequentie, dat er van democide gesproken kan worden? Zijn kwaadaardige politieke stelsels als nationaal-socialisme of communisme, of zijn de veranderingen in de 19e eeuw, van verlichting naar nieuwe democratie en combattisme, een verklaring? In de eeuw die hierop volgde zouden volkslegers groot onheil in de wereld veroorzaken. Tussen partijen en personen ontstond op grotere - democratische - schaal wedijver en haat, wat soms de naam van ‘bevrijdend geweld’ kreeg. Waar rechtvaardigheid werd gediend door oorlog, daar moest oorlog worden nagestreefd. De Franse politicus Brissot was hier een goed voorbeeld van. In 1791 verklaarde hij: “de oorlog is een nationale weldaad”. Hiermee gingen de ideeën van o.a. Erasmus (Querula pacis, 1517) dat oorlogen vooral de belangen van de vorsten dienden, en ten nadele van het volk waren, verloren. Deze ideeën over gezonde volksinvloed en de instelling van dienstplicht waren overigens gegrondvest op een te optimistisch idee over de verheffing van het volk.

 

Vanaf het midden van de negentiende eeuw gaat het aantal doden door oorlogsgeweld en kolonisatie stijgen. Waren het daarvoor vooral de indirecte oorzaken, zoals epidemieën of gebrekkige hygiëne, die voor hoge aantallen slachtoffers zorgden, de stelselmatige uithongering van Ierland in 1846-1848 was de eerste grote ‘democide’, met als motief : “de armen zijn de sprinkhanen die de maatschappij kaalvreten” (Malthus, 1798). Ook het verschijnsel concentratiekamp is door de Engelsen - naar het voorbeeld van de Spaanse generaal Weyler’s reconcentrado politiek in Cuba (1896) - in het eind van de 19e, begin 20e eeuw geperfectioneerd (tijdens de oorlog tegen de Boeren in Zuid Afrika). In de periode 1900-1987 stijgt het aantal doden als gevolg van democide tot ruim 169 miljoen. Dit is bijna vier maal zoveel als van alle binnenlandse en internationale oorlogen samen. De ‘zuiveringen’ werden zoveel mogelijk verborgen gehouden voor de eigen bevolking en de wereldopinie. Het demonische van de Hitler-democide was de stelselmatige dehumanisering van de slachtoffers, die als het ware als insecten mochten worden vernietigd. Het demonische van de Stalin-democide was de grote angst en willekeur, en een machinematig werkende bureaucratie en politiek in naam van de vooruitgang. Overigens is er een interactie tussen gevoerde oorlogen en democide. Militaristen hebben de neiging de ‘legitieme’ rol van oorlogen (bescherming van de natie of bevolking) op te blazen, en de kwaliteit van de maatschappelijke en menselijke verhoudingen te negeren. Sinds de 19e eeuw zijn oorlogen in toenemende mate burgeroorlogen geweest. Ook de internationale oorlogen hebben hier kenmerken van in de vorm van ideologische, emotionele, ongebonden en gewelddadige elementen. Haat en vijandschap welke in een oorlog kunnen oplaaien, zijn latent aanwezig bij bevolkingen (Karl von Clausewitz, 1832). Wanneer de politiek niet in staat of bereid is de publieke opinie in toom te houden, dan kunnen passies als haat, vijandschap, militarisme en een teugelloze bewapening de buitenlandse politiek van een staat gaan bepalen. Het hangt dan van de leiders af in hoeverre oorlogssituaties eindigen in bloedbaden.

 

Het failliet van het liberalisme in Europa tussen 1850 en 1900 ten faveure van het nationalisme leidde tot het vervangen van de leniging van structurele armoede onder de bevolking door oorlog, dat een medicijn voor mens en maatschappij zou zijn (‘bellicisme’). De oorlog wordt hier voorgesteld als politiek en sociaal nuttig, en het leed wordt gebagatelliseerd. De aanvaarding van geweld uit naam van hogere waarden heeft ruimte gegeven aan het ontstaan van politieke stromingen waarin het vernietigen van ‘vijanden van de vooruitgang’ werd gelegitimeerd. De succesvolle afloop rechtvaardigde achteraf dubieuze doeleinden. Door Karl Mannheim werd in 1946 de kloof beschreven tussen de sociale veranderingen en de primitieve impulsen en motieven. Deze leverde nauwelijks beheersbare uitbarstingen van haat en geweld op. Dit leidde weer tot bijna universele verbreiding van het slachtoffersyndroom. De vrouwen, die de dood van mannen en kinderen be-treurden, konden praktisch in één beweging andere mannen en kinderen opjagen om wraak te nemen. Juist in perioden van veranderingen werden geweld en oorlog epidemisch. Mensen zijn niet in staat hun affecties en emoties voldoende te beheersen. Ze zoeken een uitweg in meer militaire kracht (Norbert Elias, 1982). Op mesoniveau wordt in de negentiende eeuw toenemend invloed en macht uitgeoefend door burgers die hun aanvankelijke haat tegen de koningen en elite vervangen door haat jegens alles wat hun loopbaan kan schaden. Een voorbeeld hiervan is de componist Richard Wagner, welke vervuld was van antisemitisme, en van haat en ressentiment jegens iedereen.

 

Om de intensiteit van de twintigste-eeuwse massamoorden van regeringen op hun burgers en van de oorlogsdoden te begrijpen, zijn de factoren ideologie en religie van eminent belang. Waar deze factoren in het spel zijn, is het geweld vaak mateloos. De eerste grondslag is haat. Zoals Goethe in 1830 uitsprak tegen de schrijver Johann Peter Eckermann: “Wie hätte ich die Waffen ergreifen können ohne Haß?”. Aan het zogenoemde ‘haat-vrees-Robespierre’-syndroom leden vroegere despoten als Calvijn en Cromwell, maar ook latere despoten, volksmenners en politieke criminelen als Napoleon, Hitler, Mao, Khomeiny en anderen. Een tweede grondslag is de wereld van de bureaucratie. Deze wees ‘vijanden van de vooruitgang’, of ‘profiteurs van de algemene voorzieningen’ aan. Tijdens de Grote Terreur eind 1793 werden ‘vijanden van de revolutie’ zonder vorm van proces op grote schaal verdronken. Schuld door associatie, een denkbeeld dat het Stalinisme, Maoïsme, nationaal-socialisme, Pol-Potisme en vele andere rechtse dictaturen in staat stelde hun moordpartijen voort te zetten, is een verschijnsel dat in de Franse Revolutie is ontstaan. Malthus wees in 1798 de armen in Ierland aan als nutteloze wezens die het algemene welzijn op het spel zetten en niet geholpen mochten worden. Als gevolg van de aardappelziekte in 1846 stierven ca. 1.5 miljoen mensen de hongerdood. De Britse regering geloofde dat “the operation of natural causes” de beste oplossing was. Een derde grondslag is het geloof in de moderne technologie. Deze heeft evenmin geleid tot de verwachte ‘schone’ oorlog. Ook in het tijdvak van de zogenaamde beperkte oorlog wankelde dit beeld. Het vierde element, het (negentiende-eeuwse) ge-loof in vooruitgang en democratie als middel om een beheersbare ideale gemeenschap te vormen, is eveneens veranderd in een anti-utopie die kan worden omschreven als totalitarisme.

De kritische beschouwingen van het postmodernisme, zoals de socioloog Zygmunt Bauman (Modernity and the Holocaust, 1989), geven als verklaring eveneens weinig houvast. De hierin opgevoerde technocratische civilisatie is een te beperkte verklaring voor het uitgeoefende geweld.

Een vijfde verklaring zou corruptie als gevolg van lijden kunnen zijn, of zoals de Zuid-Afrikaanse schrijver Laurens Van der Post uitdrukt: “how to combat evil without becoming an-other kind of evil in the process... To do so is to make life an endless despairing cycle of action and reaction”, zoals nu het Israël-Palestina conflict.

 

De Tsjechische president Havel, en de Zuid-Afrikaanse president Mandela zijn voorbeelden van leiders die met succes deze heilloze cyclus wisten te stoppen. Internationale tribunalen kunnen daarentegen het klimaat en de keten van wederzijdse wraakoefening gemakkelijk in stand houden.

Geweldsverheerlijking (Viva la muerte) in de sociologie en filosofie in het begin van de twintigste eeuw vormt een mogelijke zesde verklaring voor het mateloze geweld. Een zevende verklaring is dat burgers in de oorlog geen toeschouwers meer zijn maar participanten. Ze dragen bij aan de oorlogseconomie, en aan de publieke opinie, met als uiterste het zijn van subject van agressief nationalisme.

Een laatste mogelijke verklaring is het legitimeren van oorlog en geweld door middel van officieel uitgeroepen ideologieën. De staat ziet zich als instrument van de Voorzienigheid, God, of de ‘onontkoombare geschiedenis’ ter verwezenlijking van hogere waarden. De massale destructie en slachtingen zijn de onvermijdelijke bijkomstigheden. Vooral in dictaturen komen charismatische leiders op, die in hun wens tot hegemonie hun onderdanen opzwepen tot doodslag

en moord, en die de goederen van de vermoorden als beloning aan de moordenaars schenken.

 

Sinds 1992 ondervindt oorlog een onverwachte rehabilitatie. Diplomatie was in diskrediet geraakt vanwege chantage en afpersing; diplomatic coercion is een weer aanvaard alternatief. Nog maar een eeuw geleden schreef echter de Weense satiricus Karl Kraus: “Krieg is zuerst die Hoffnung, daß es einem besser gehen wird, hierauf die Erwartung, daß es dem anderen schlechter gehen wird, dann die Genugtuung, daß es dem anderen auch nicht besser geht, und hernach die Überraschung, daß es beiden schlechter geht”.