Interview met Karel Koster

 

Wat betekent PENN?

 

Zoals de lezers van onze nieuwsbrief zal zijn opgevallen werkt de NVMP sinds een aantal jaren op ‘ad hoc’ basis samen met de organisatie PENN. PENN staat voor Project on European Nuclear Non-Proliferation maar wordt

feitelijk gevormd door één persoon: Karel Koster. Hoog tijd voor een nadere kennismaking.

 

HvI: Karel ik ken je sinds de bijeenkomsten van het 'Nederlands kernwapenoverleg' die naar ik meen in 1998 zijn gestart. Dat was een initiatief van jouw kant, je deskundigheid op het gebied van de kernwapenproblematiek viel me meteen op. Waar staat PENN precies voor? Je maakt daarnaast ook deel uit van Werkgroep Eurobom, AMOK, PNND. Wat is de onderlinge relatie? Kun je enigszins aangeven hoe je 'netwerk' in elkaar zit en welke petten je allemaal op hebt?  

 

K.K.: Het kernwapenoverleg was in feite een voortzetting van een eerder overleg dat door anderen, met name Derek Jan Dullemond uit Wageningen werd bij elkaar gehouden. Daarmee ben ik doorgegaan, als onderdeel van mijn werkzaamheden. De deskundigheid bouwde gewoon voort op wat al uitgezocht was door anti-kernwapenactivisten. Werkgroep Eurobom is een project van de Stichting VD-AMOK, dat weer een combinatie is van de sinds kort opgeheven Vereniging Dienstweigeraars en het Anti-Militaristies OnderzoeksKollektief. In de tachtiger jaren vervulde AMOK veelal de rol van onderzoeks- en documentatiecentrum voor delen van de vredesbeweging. Een van de onderwerpen die onze voortdurende aandacht had was de kwestie van kernwapens in Nederland (destijds had Nederland zes kerntaken). In onze onderzoek en documentatie activiteiten kregen we ook met onderzoekers uit het buitenland te maken. Voor kernwapens was dat bijvoorbeeld het British American Information Council, BASIC. AMOK houdt zich ook veel met de kwestie oorlog bezig, met als speciale invalshoek het begrijpen van de militair-technische kant van oorlog en die uitleggen aan activisten. Bij vredesactivisten heersen vaak nogal merkwaardige ideeën over soldaten en het militaire apparaat. We vonden het belangrijk om dat beeld te corrigeren.

 

Werkgroep Eurobom is een project dat speciaal is opgericht om activiteiten te ondernemen tegen de Europese kernbewapening, vandaar de naam. Het is immers nog steeds mogelijk dat de Franse en Britse kernwapens worden omgezet in een soort Europese kernmacht. Daarnaast heeft de nucleaire strategie van de NAVO onze voortdurende aandacht. In internationaal verband werken we samen met een aantal aanverwante clubs onder de naam Project on European Nuclear Non-Proliferation – PENN, in Nederland dus PENN-Nl.

 

HvI: Een deel van je werk bestaat uit het politiek 'lobbyen'. Oftewel het onderwerp van de kernwapens op de politieke agenda krijgen en het er op houden. Een praktisch onmogelijk taak maar als er iemand resultaat mee boekt ben jij het. Tweede Kamer-leden als Hoekema (D66), Koenders (PvdA) en Pitstra (GroenLinks) gaan met je om op voet van 'gelijkheid', bij buitenlandse zaken ben je een ‘graag’ geziene gast, waarmee ik bedoel dat ze in ieder geval luisteren naar wat je te vertellen hebt. Dat moet toch de nodige moeite gekost hebben om zoiets op te bouwen. Hoe bereik je zoiets en hoe hou je zo'n relatie 'spannend'?

 

K.K.: Ik vrees dat het wel tegenvalt met de belangstelling voor de kernwapenproblematiek bij de politici. De eerste regel van het lobbywerk is dat je moet beseffen dat datgene wat jij van immens belang vindt, een volstrekt secundaire kwestie kan zijn voor de politici. Of nog subtieler, secundair voor een deel van het jaar, met af en toe een uitschieter. Dit betekent dat je altijd bent overgeleverd aan de politieke agenda. Als ergens kernwapens op de een of andere manier aan bod kunnen komen (bijv de defensiebegroting), kan je proberen er gebruik van te maken.

 

De tweede regel is dat een politicus alleen iets doet waarmee hij/zij vooruit kan komen in het politieke spel. Je moet dus iets geven waar hij/zij iets mee kan (bijvoorbeeld een vraag stellen aan een minister). Dit betekent dat een algemeen verhaal over hoe erg kernwapens zijn geen enkel nut heeft (let wel, in een situatie waar er geen massale anti-kernwapenbeweging bestaat. Als dat wel zo is, verandert dit verhaal). Een gebeurtenis  in het buitenland kan gebruikt worden om de kernwapenkwestie aan de orde te stellen: bijvoorbeeld kernproeven in Zuid-Azie.

 

Een derde regel is dat je moet besluiten of je iets wil bereiken via de Kamer: Zo ja, dan moet je allerhande compromissen sluiten in de omgang met kamerleden. Het is zinloos om met een maximalistisch programma te komen als advies (alle kernwapens de wereld uit), als al bij voorbaat duidelijk is dat het wordt afgewezen. Het kan uiteraard geen kwaad om ergens te vermelden dat je veel meer wil. Maar het moet nooit het centrale punt van de omgang met politici vormen: ze weten namelijk heel goed wat je vindt. Langdradige moraliserende betogen vallen heel verkeerd. Voor bezoeken aan ministeries gelden heel andere spelregels. Dat zijn veelal vergaderingen waar informatie wordt uitgeruild. In Nederland is er een zekere gelukkige cultuur van interactie tussen ambtenaren en ngo’s – sommigen zouden het repressieve tolerantie noemen. Maar het betekent wel dat contact leggen met enige moeite mogelijk is. Het is in zo een geval zinvol om voornaam bezoek uit het buitenland mee te nemen.

 

HvI: Samen met de NVMP heb je een drietal parlementaire seminars georganiseerd, in de oude tweede kamerzaal, die grotendeels gefinancierd zijn door Buitenlandse Zaken en de goodwill van politici. Onderwerpen als 'Disarmament en Non-Proliferation', NATO nuclear policy' en ‘NMD: the end of deterrence' hebben we behandeld. Een nieuwe project is 'Spanningen tussen India en Pakistan. In de schaduw van de nucleaire dreiging',  kun je daar iets meer over vertellen?

 

K.K.: De seminars spelen een aantal rollen tegelijkertijd. Ten eerste als signaal naar de regering en de diplomatieke gemeenschap dat de behandelde onderwerpen van belang zijn voor (delen van) de Nederlandse politiek. Het is cruciaal om ze te organiseren met behulp van politici van grotere partijen, en met een gevestigde vertrouwde organisatie zoals de Atlantische Commissie. Dat wekt vertrouwen en creëert de politieke ruimte om een deel van de eigen ideeën aan de orde te stellen.

 

Ten tweede is het ook een plek waar er uitwisseling van ideeën plaatsvindt, formeel en informeel. Ten derde kan je mensen leren kennen, netwerken dus. De India-Pakistan bijeenkomst is, evenals die in Amsterdam in 2000 over het Non-Proliferatie Verdrag dat was, een publieksevenement. Het doel is  om vooral een signaal naar de media en de publieke opinie te geven over een bepaalde problematiek. Verder hopen we de speciale doelgroepen van de Indiase en Pakistaanse gemeenschappen te bereiken, en een interactie tussen hen en de Nederlandse vredesbeweging  te bewerkstelligen. De internationale vredesactivisten leer je vooral in het conferentie circuit kennen, bij de VN en elders. Dat is zelfs de meest nuttige functie van conferenties, die meestal zaken betreffen die iedereen thuis ook kan bestuderen. Achin Vanaik en Pravez Hoodbhoy zijn in hun eigen land  dwarsliggende individuen, die met hun standpunten aanzienlijk meer risico’s lopen voor hun eigen veiligheid dan wijzelf.

 

HvI: Tot slot; kijkende naar het probleem van de kernwapens. Wat is jou verwachting voor de nabije toekomst, wat staat ons nog te wachten. Ik doel daarmee vooral, maar niet uitsluitend, op het ‘terrorisme’en ‘Amerikaanse unilateralisme’. Is afschaffing van kernwapens ver weg? Een ongeluk met een kernwapen? India-Pakistan als meest extreme risicoregio? Of zal er eerder een bom in Washington ontploffen?

 

K.K.: Er was na de Koude Oorlog een proces van nucleaire ontwapening op gang gebracht. Dat proces is gaan stokken in de loop van de negentiger jaren. Het Amerikaanse unilateralisme betekent in essentie het einde van het stelsel van internationale verdragen. Daarmee wordt een grote rem op de ongebreidelde verspreiding van de technologie van massavernietigingswapens weggenomen. Als de verdragen niets betekenen voor de VS, waarom moeten ze dat wel doen voor de rest van de wereld die geen massavernietigingswapens heeft? Als vervolgens een of meer staten zoals India en Pakistan aan het bewapenen slaan, volgen al snel anderen. Dus een proliferatie van massavernietigingswapens is beslist te verwachten. Het Amerikaanse antwoord daarop is vanaf nu militair: men zal pogen om staten die zich zo bewapenen aan te vallen voordat hun wapens operationeel worden. Zo een aanval wordt momenteel tegen Irak op touw gezet.

Dus de meest dreigende ontwikkeling is het Amerikaanse beleid dat zal gericht worden op het militair uitschakelen van mogelijke gevaren. Deze operaties zelf zullen onmiddellijk tot represailles leiden, of althans de motivatie voor die represailles vormen. Daarom is een toename van terroristische daden te verwachten. Die zullen ook uit de eigen logica van de terroristische groepering voorvloeien. De centrale kwestie is dan ook: hoe bestrijd je de wortels van het terrorisme? Dat is een veel bredere en politiekere vraag  dan veel beleidsmakers bereid zijn te erkennen. Het is me opgevallen dat de mensen in de internationale antikernwapen NGO-gemeenschap een zekere blindheid hebben voor deze bredere invalshoek, die in mijn ogen cruciaal is om een rem op de gang naar oorlog te gooien.

 

HvI: bedankt Karel voor deze heldere antwoorden. Ze geven eens te meer aan dat je goed in de gaten hebt waar de mogelijkheden voor NGO’s liggen om tenminste nog enige invloed uit te oefenen op het besluitvormingsproces rond kernwapens.

 

Ik wijs de lezers op de aankondiging van ‘Spanningen tussen India en Pakistan. In de schaduw van de nucleaire dreiging’ op zondag 28 april. Komt allen naar deze door NVMP en PENN georganiseerde bijeenkomst!

 

 

Hans van Iterson

Terug naar inhoud Nieuwsbrief