Massaslachting en genocide

Door: Sonja N.M. Tijthoff en Johan M. G. van der Dennen

Bovenstaande opsomming is een niet-volledige weergave van het aantal slachtoffers dat tijdens genociden in de twintigste eeuw is omgekomen.

De term ‘genocide’ is afgeleid van het Griekse woord ‘genos’ (ras, stam, volk) en de Latijnse stamvorm ‘cide’ (doden, moorden). Het betekent letterlijk ‘het vermoorden van een groep’. Het woord stamt uit de twintigste eeuw, het verschijnsel is daarentegen eeuwenoud. In klassieke Griekse en Romeinse werken zijn al gevallen van genocide opgetekend. Ook de bijbel verhaalt over massaslachtingen, zoals de afslachting van de inwoners van Jericho. In de Romeinse tijd heeft Caeasar tijdens zijn campagnes in GalliŽ naar schatting een miljoen ‘barbaren’ gedood.

In de godsdienstoorlogen van de Middeleeuwen en de Reformatie waren massacers ook geen onbekend verschijnsel. Ten tijde van de kolonisatie roeiden de kolonisten zonder scrupules de inheemse volkeren uit die zij in de veroverde gebieden tegen het lijf liepen. Ook dekolonisatie en de eruit voortvloeiende machtsstrijd vormde in vele landen de grondslag voor genocide, waarvan de gevolgen heden ten dage nog zichtbaar zijn in landen zoals Rwanda en Burundi. Genocide is dus geen nieuw verschijnsel dat alleen voorkwam in de twintigste eeuw. De wetenschappelijke en juridische aandacht voor dit verschijnsel is echter pas in de laatste decennia ontstaan.

De staat

Op macroniveau speelt de staat (regeringen, overheden, regimes, politieke elites of individuele besluitvormers in het geval van totalitaire regimes) de belangrijkste rol in een genocide. In staten waar al enige tijd sprake is van interne problemen is de dominante groep geneigd om uitgesloten raciale, religieuze en/of etnische groepen tot doelwit van genocide te selecteren. De heersende elites spelen hierin een belangrijke rol. Zij mobiliseren hun achterban in hun strijd om de macht. Wanneer zij ervan overtuigd zijn dat hun macht en het voortbestaan daarvan alle andere economische en sociale waarden overtreft, dan wordt de kans op genocide vergroot. Er be-staat echter discussie over het gegeven of een elite ‘uit het niets’ een genocide kan plegen. Kuper is van mening dat de elite gebruik en misbruik maakt van de sociale ontwikkelingen en krachten in de samenleving. Ze is volgens hem niet in staat om in een evenwichtige samenleving een genocide te plegen.

Een punt van discussie vormt de vraag of een massaslachting genocide kan worden genoemd als de staat niet actief en direct betrokken is bij de organisatie en/of uitvoer ervan. Indien de staat geen bescherming biedt aan kwetsbare minderheden die worden aangevallen door moorddadige bendes is de rol van de staat passief.

Ideologie

De staat kan een genocide niet of nauwelijks uitvoeren als deze geen gebruik maakt van een legitimerend principe of een ideologie om de menselijke vernietiging te rechtvaardigen. Het meest bekende voorbeeld van een ideologie die een rol speelt in genocide is antisemitisme. Cohn beschrijft dat Middeleeuwse paranoÔde waanideeŽn over een joodse samenzwering in een nieuw jasje werden gestoken en bijdroegen aan het motief voor de holocaust. Deze fantasie werd het fundament van de nazipropaganda. De aantrekkingskracht van het nazisme was gebaseerd op fantasieŽn die ‘bedacht’ waren om gevoelens van ongerustheid, angst, mislukking en demoralisatie te kunnen uiten.

Mesoniveau

Op het mesoniveau bevinden zich de politieke bewegingen. Zij spelen ook een belangrijke rol bij genocide. Een van hun kenmerken is het (potentieel) gebruik van geweld om vooropgestelde doelen te bereiken. De ene politieke beweging is geweldloos terwijl de andere volledig gewelddadig is.

Als een samenleving zich in een on-stabiele periode bevindt, kunnen de gewelddadige bewegingen de overhand krijgen.

Binnen een beweging of groep worden vaak dezelfde opvattingen gedeeld. Deze opvattingen bestaan uit overtuigingen ten aanzien van bepaalde problemen, motieven en ‘oplossingen’. Ze worden verdedigd met be-hulp van verschillende mechanismen zoals ontkenning, selectieve perceptie, selectieve blootstelling aan informatie en andere methoden. Men zou verwachten dat ‘normale’ mensen een ideologie niet ondersteunen als deze niet op waarheid berust; de geschiedenis bewijst echter het tegendeel. Hele samenlevingen hebben de meest bizarre lasterpraat en gruwelverhalen over ‘vijandige’ minderheden aan- en overgenomen. IdeologieŽn mobiliseren personen en moedigen ze aan tot het plegen van genocide.

Het volgende deel van het proces is de ideologische versnelling. Als mensen zich aansluiten bij een groep verstevigt de band met de groep en verzwakt de verbondenheid met anderen buiten de groep. Het gebruik van geweld verstevigt de onderlinge band. De leden van de groep bevinden zich in een gewelddadige negatieve spiraal. Omdat massaslachtingen worden uitgevoerd door collectief opererende individuen, stelt juist een beweging mensen in staat om massaslachtingen uit te voeren. Het zijn leden van een politieke beweging die in een onstabiele en bedreigende sociale omgeving gewelddaden plegen. Zij voeren de genocide uit in naam van de samenleving, de natie, het leger, de politie of de kerk.

Microniveau

Op het microniveau bestaan drie verschillende partijen. Ten eerste de daders die het moorden uitvoeren. Zij worden tot moorden aangezet door groepsprocessen en individuele psychologische processen. Elke verklaring van genocide gericht op het sadistische (of anderszins pathologische) karakter van de daders is ontoereikend. Bauman beweert dat de meesten van ons in staat zijn tot gruwelijkheden en in rollen vervallen die de samenleving ons toeschrijft. Groepsdruk kan een belangrijke oorzaak zijn voor het plegen van moorden.

Etnocentrisme, de overtuiging van de superioriteit van de eigen groep of samenleving, is een voldoende voorwaarde om vijandige gedragingen tussen groepen te creŽren. Genocidale samenlevingen hebben een tendentie naar ‘just-world’ denken. Het houdt de overtuiging in dat de slachtoffers het lijden aan zichzelf te danken hebben ten gevolge van hun daden of door hun slechte karakter. Ze verdienen zodoende wat ze krijgen en krijgen wat ze verdienen.

Individuele psychologische processen

Psychologische of emotionele verbondenheid met een slachtoffer kan de bereidwilligheid om te participeren in gewelddadig gedrag gericht op het slachtoffer beÔnvloeden. Er bestaan verschillende mechanismen die tot doel hebben om psychische afstand te creŽren. Deze mechanismen rationaliseren, sussen, ontkennen of vermijden de verantwoordelijkheid en schuld van de dader ten aanzien van zijn gewelddadige gedragingen. In sommige situaties verschuift de verantwoordelijkheid van de daders op de organisatie of autoriteit. A. Koestler,1967: "Wanneer men de lange en mistroostige geschiedenis van de mensheid in beschouwing neemt, vindt men meer verborgen misdaden die uitgevoerd zijn in de naam van gehoorzaamheid dan in naam van rebellie". Andere mechanismen waardoor de daders niet of nauwelijks verantwoordelijkheid nemen voor hun gewelddadige acties en die afstand tot het slachtoffer

creŽren zijn bureaucratisering en routine. Degenen die de genocide plannen, zijn op de hoogte van het gegeven dat het moordproces effectiever verloopt als de mensen die de besluiten nemen over wie er vermoord worden, gescheiden worden van degenen die het daadwerkelijke moorden uitvoeren.

Een groot aantal auteurs is het er over eens dat de belangrijkste voorwaarde voor genocide dehumanisatie (ontmenselijking) is. Het is een reactie gebaseerd op de behoefte van een groep om niet hetzelfde te zijn als de vijand. Dehumanisatie gaat samen met andere mechanismen die psychische afstand creŽren tussen de dader en het slachtoffer, te weten: degraderen, het anonimiseren van de slachtoffers en de daders die de slachtoffers buiten hun ‘wereld van verplichtingen’ plaatsen. Het gebruik van bestiale metaforen vergemakkelijkt het dehumaniseren van slachtoffers.

Toeschouwers

De rol van de zogenaamde toeschouwers in een genocide moet niet onderschat worden. Misdaden die door de staat worden begaan, worden vaak getolereerd door het publiek. De oorzaak hiervan kan liggen in onwetendheid over wat zich afspeelt en/of in het gegeven dat de moorddadige activiteiten niet zo persoonlijk bedreigend worden ervaren als wat mensen als een echte misdaad beschouwen, zoals een overval of verkrachting. Angst kan tevens een reden zijn om onverschilligheid voor te wenden, zodat de toeschouwer discriminerende en gewelddadige daden negeert. Valentino’s recente ‘strategische’ benadering van massamoord en genocide vormt een welkome toevoeging aan het theoretische repertoire. Zijn benadering houdt in dat politieke leiders of elites massamoord ‘strategisch (en min of meer ‘rationeel’) in kunnen zetten’ als ze denken dat daarmee politieke, militaire, dan wel economische problemen kunnen worden opgelost of dat politieke bedreigingen ermee kunnen worden afgewend. Voor een dergelijke ‘radicale’ oplossing - waartoe leiders overigens volgens Valentino niet lichtvaardig besluiten - is een breed draagvlak bij de bevolking absoluut geen vereiste. Een kleine, goedgeorganiseerde en goedbewapende minderheid kan een gruwelijk bloedbad aanrichten onder nietgeorganiseerde en nietbewapende slachtoffers. Onverschilligheid en passiviteit bij het grote publiek - en niet bloeddorst of dehumanisatie of sterke ideologische overtuiging of indoctrinatie of gehoorzaamheid - is alles wat daarbij nodig is. Men hoeft daarbij niet te veronderstellen dat de gehele mensheid ‘moreel corrupt’ is, of ‘van nature slecht’.

Slachtoffers

Tijden van sociale crisis versterken de vijandigheid en agressie. Men wil de vijandigheid richten op de mensen die de problemen hebben veroorzaakt. Ze kunnen echter niet geÔdentificeerd worden omdat de oorzaken te complex en te onpersoonlijk zijn. De vijandigheden worden zodoende verschoven en gericht op vervangende doelgroepen. Ze hebben volgens de theorie van DuPreez connecties met de vijand en zij bezitten de welvaart en de posities die de elite van de dominante groep graag zou willen bezitten. Het succes van de ondergeschikte groep ‘verklaart’ het falen van de meerderheid. Een autoriteit die de ondergeschikte groep opoffert toont zich sterk in plaats van zwak. Het volk krijgt zodoende het idee dat de staat problemen die hij vůůr de massamoord niet aankon, nu wel aankan. Door het verslaan van de zwakken, die in hun ogen een monsterlijke bedreiging vormen, krijgen het volk en de autoriteit weer (zelf)vertrouwen.

In een samenleving waar een groep een andere groep domineert, is de kans op genocide dus groter. Dit zijn voornamelijk zogeheten ‘plurale’ of multi-etnische samenlevingen. Door de telkens terugkerende gewelddadige behandeling van minderhedengroepen ontstaat een culturele gedragsregel die voorschrijft dat geweld een legitiem middel is om de macht te behouden en om geschillen tussen mensen te creŽren.

Volgens Gurr & Harff heeft deze discriminatie verschillende historische oorsprongen. Sommige zijn een uitloop van historische conflicten of het gevolg van de beperking van de politieke expansie van autonome groepen door een autoriteit van een natiestaat. Andere zijn het gevolg van de immigratie van minderheden. Dit zijn minderheden zonder macht die naar andere samenlevingen immigreren om daar bepaalde sociaal-economische gaten (voornamelijk in de handel) op te vullen: de zogenaamde ‘middlemen-minorities’.

Volgens Van den Berghe is geen enkele groep zo kwetsbaar voor onderdrukking, achtervolging, verbanning en genocide als deze ‘middlemen-minorities’. Zij zijn bijna altijd en als eerste het slachtoffer van dit soort praktijken: joden in Europa, ArmeniŽrs in Turkije, de Chinezen in IndonesiŽ.

TheorieŽn en verklaringen van genocide

Er bestaat geen allesomvattende theorie van genocide. De wetenschappelijke wereld die zich bezighoudt met genocide biedt: determinanten, voorwaarden, vereisten, condities, remmende of faciliterende factoren, als elementen in zogeheten cumulatieve (‘value-added’) hiŽrarchische modellen of ‘steps-along-a-continuum-of-destruction’ modellen.

Een scenario voor genocide

De dynamica van de genocide kan worden beschouwd als een proces dat wordt gekenmerkt door een aantal op-eenvolgende en van elkaar te onderscheiden fasen of stappen, hoewel de realiteit meestal weerbarstiger is dan elke poging tot indeling of faseologie.

 

De voorwaarden die noodzakelijk zijn voor genocide en de fasen van het genocidale proces zijn:

* Genociden komen vooral voor in plurale (multi-etnische) samenlevingen, waarin diverse raciale, etnische en/of religieuze groepen diepgaande scheidingen ervaren. Deze scheidingen manifesteren zich in verschillende vormen: van geÔnstitutionaliseerde ongelijkheid in politieke organisaties tot meer informele sociaal-economische ongelijkheden. De kans op genocide wordt vergroot wanneer twee groepen een langdurige geschiedenis van conflicten kennen en wanneer de politieke ongelijkheden samenvallen met economische en sociale kloven.

* Onstabiele politieke condities die de sociale orde bedreigen, vergroten het effect van deze voorwaarden. Oorlogen en revoluties zijn de belangrijkste medeveroorzakers voor genocide, vooral wanneer zij geografische en psychologische ontwrichting met zich meebrengen. Tijden van economische crisis kunnen ook genocide voortbrengen.

* Een voorwaarde is een vooropgezette identificatie van de te vernietigen doelgroep. Deze individuen verschillen in bepaalde opzichten met de (overgrote) meerderheid van de bevolking. De verschillen liggen voornamelijk in etniciteit, ras en religie. In communistische regimes lijken de ‘vijanden van het volk’ door het regime vrij willekeurig te worden geÔdentificeerd (bijv. ‘intellectuelen’ of ‘antirevolutionaire elementen’).

* Een zondebok en een slachtoffergroep zorgen voor de verklaring van het ineenstorten van de oude economische, politieke en sociale orde en voor de rechtvaardiging van het opzetten van de nieuwe stelsels.

Voorbeelden van stereotypen die een bruikbare zondebok opleveren zijn de welvarende, kosmopolitische joden en rijke Armeense handelaren. De goede Duitse mensen en de nobele Turkse plattelandsbevolking waren de (zogenaamde) slachtoffers van deze twee groepen. Hierin ligt de verklaring van de kracht van genocide op lokaal niveau en op het staatsniveau; de elite en het volk reageren op bedreigingen die betrekking hebben op hun economische situatie, hun levenswijze en hun politieke macht. De politieke elite doet dit op een meer cynische en berekende manier, terwijl de volgelingen - degenen die de genocidale daden plegen - gemotiveerd worden door hun persoonlijke frustratie en vijandschap, door het vooruitzicht op buit of beloning, door (doods)angst, en/of door gehoorzaamheid en conformisme.

Dit literatuuroverzicht is gebaseerd op een Engelstalig manuscript "The ‘Evil’ Mind. Part 1: Genocide" (1999) van Johan M.G. van der Dennen, vakgroep rechtstheorie, sectie politieke wetenschappen van de Universiteit van Groningen. Nederlanse versie door Sonja N.M. Tijt-hoff, studente sociologie, faculteit sociale wetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam. Samenvatting voor de Nieuws-brief: Konnie Hebeda.

Terug naar inhoud Nieuwsbrief